Marie Santen

Marie Santen

Reisverslag van een reis naar Tirol, 17-26 Augustus 1935

Amsterdam, Zaterdag 17 Augustus 1935,

bij het begin van onze reis naar Tirol, is het voor allen vroeg dag. Wij, Amsterdammers, zijn tegen half acht allen present aan het Weesper-Poort-Station. Een onzer medereizigers heeft op voortreffelijke wijze gezorgd voor een gezelschaps-kaart en gereserveerde plaatsen. In de coupés gezeten, ontvangen alle dames “als aardige attentie” van een andere medereiziger en echtgenoote, een blikje biscuits. De stemming is er al in, maar het weer werkt niet mee: het is regenachtig.

Te 8 uur in Utrecht, bevolken wij het achterste gedeelte van den auto-car, en na een speech van den leider vertrekken wij. Te ongeveer 11 uur zijn wij aan de grens te Zevenaar. Leiders en chauffeur gaan het douane-kantoor binnen, wij blijven zoet in den wagen en na eenige minuten mogen wij Duitschland binnenrijden.

Na Emmerik te zijn gepasseerd, stoppen we te Wezel voor de lunch. Om 1 uur brengt de wagen ons door Mörs Dusseldorf en te 4 uur komen wij in Keulen aan. Daar wordt geld gewisseld en koffie gedronken, ook het bier wordt er niet versmaad. Na gewacht te hebben op een paar laatkomers, vertrekken we weer te 5 uur.

Onderwijl is het zonnetje komen schijnen, wij rijden nu en dan langs den Rijn, genieten van mooie vergezichten en arriveren te 8 uur in Coblenz-Ehrenbreitstein “Hotel zum Kürfürsten”, waar wij een schraal diner en goede kamers krijgen. Eenigen van ons gaan naar het “Winzerfest”, wij wandelen nog even tot op de brug en gaan dan te 11 uur ter ruste: het was een welbesteden dag.

Zondag, 18 Augustus, Coblenz.

Al dadelijk zien wij dat het mooi weer is. De kerkgangers staan vroeg op, de anderen wat later, maar te zamen ontbijten wij te kwart over acht. Een heerlijk ontbijt, dat wij ons goed laten smaken. Te negen uur vertrekken wij, passeeren Niederlahnstein en stappen te ongeveer 10 uur te Ems uit, waar foto’s gemaakt worden, en wij onze dorstige kelen laven aan de bron voor 10 pfennig met een papieren bekertje.

Het reisgezelschap in Ems.

Dan weer verder langs Bad Nassau en Bad Schwalbach over een prachtige weg waarop we een hoogte bereiken van 530 M. Te 12 uur mogen wij te Wiesbaden uitstappen om een kop koffie te drinken. Daar rijden ons reclame-karren met allerlei liefelijkheden voorbij.

Na een half uurtje sturen wij op Worms aan, waar we te 2 uur aankomen. Daar kunnen wij niet voor de lunch in één restaurant klaar komen, zoodat onze groep in 3 deelen wordt gesplitst. Wij lunchen in “Hotel Kaisershof” en bij het heengaan kiekt de eigenaar ons vóór het restaurant; resultaat: een heerlijke warme lunch en een aardige foto.

Maar nu de schaduw-zijde: onze leider wordt boos omdat wij te lang gebleven zijn, en wil ons straffen door ons niet Heidelberg te laten zien. Wij vertrekken te half 4 en passeren Ludwigshaven, Mannheim en Darmstadt. Onderwijl is het gemoed van onzen leider vermurwd en wij krijgen verlof even uit te stappen te Heidelberg. Wij bestijgen het Slot, zien het vat, trekken aan den vossenstaart, maken kiekjes, alles in stevigen draf en stijgen met een vaartje weer in den wagen.

Fontijn te Heidelberg.

Dan rijden, zingen, moppen tappen en wisselen van plaatsen, tot wij te half 10 Stuttgart bereiken. Na ons verfrischt en verkleed te hebben, dineeren we te 10 uur in ”Rheinischer Hof”. Het is nog steeds mooi weer, maar wij zijn moe en zoeken, als het diner afgeloopen is, onze kamers op.

Maandag, 19 Augustus – Stuttgart.

Te 8 uur zijn allen aan de ontbijttafel. Wij zouden te half 9 vertrekken, maar het wordt kwart over 9, omdat wij moeten wachten op de leiders, die geld wisselen zijn. De reizigers wisselen geregeld om de 40 K.M., behalve wanneer je op het zondaarsbankje achteruit rijdt, want dan duurt het altijd langer eer je wisselen mag: het wordt dan soms 80 K.M. Om samen te zingen, zijn zangboekjes ter leen uitgedeeld, die allen netjes en stevig zijn opgeborgen in portefeuilles of koffers, en wanneer wij aan het zingen slaan, dan worden het meest fragmenten van “toffe jongens”, die er “den moed in wenschen te houden”. Als de leiders ook weer in den wagen hebben plaats genomen, rijden wij weg en komen te 1 uur in Ulm aan, waar wij lunchen in een leuke binnenplaats van “Die Drei Kannen”.

Ulm,, Restaurant “die Drei Kannen”.

Daarna worden groepsfoto’s op de Domplatz genomen, wij zien nog even de Dom van binnen, kieken, en stappen wij weer in den wagen.

     

Ulm, voor den Dom.

Weer rijden, rijden, rijden tot half 5, wanneer wij te Kempten voor “Bayerischer Hof” stoppen om onze dorst te lesschen aan koffie en bier. Dan begint het te regenen, eerst zachtjes, dan met dikke droppels. Voor het instappen nemen we nog een kiek voor het leuke Beiersche huis en rijden weer langs een prachtweg door bergen en dalen en zien o.a. 4 maal de kerktoren van het plaatsje Nesselwang. Hier zijn wij ongeveer 850 M. hoog. De zon laat zich niet mer zien en het regent flink. Wij rijden verder en komen langs het meertje Weissensee, daarna langs de waterval bij Füssen. Ondanks den regen wordt deze door velen van ons gekiekt. Als wij weer zijn ingestapt, komt plotseling de zon weer schijnen en blijft tot wij ze prachtig achter de bergen zien ondergaan. Dan krijgen we de Oostenrijksche grens bij Weisbach. Dat gaat voorspoedig bij de Douane, maar de tocht wordt beangstigend door de duisternis: 4 groote reiswagens ontmoeten wij en bij het passeeren komt onze car in een greppel met het achterwiel; wij stappen uit en dan is het euvel gauw verholpen.

Te half 9 komen wij eindelijk te Ehrwald aan, moeten dan in regen en duisternis klimmen naar “Alpenhof” waar wij geen kamers en schraal eten krijgen. Met het gezegde van den leider: “Dames en heeren, het is afgeloopen” weten we waar wij aan toe zijn en koopen ons een boterham voor dessert.

Wij worden uitbesteed in “Waldhaus”, krijgen daar lekkere koffie en leggen gezellig een kaartje op onze kamer. Ik win er 7½ cent en ga slapen met het heerlijke idee, dat ik er mijn halve reis uit heb.

Een rustig spelletje kaart na een vermoeienden dag, op onze kamer te Ehrwald.

Dinsdag, 20 Augustus – Ehrwald.

Schitterend mooi weer, prachtig uitzicht van uit onze kamer. 8 uur ontbijt in “Alpenhof”. Daarna wandelen en kiekjes maken tot half elf.

De autocar brengt ons naar “de Zügspitzbahn”. Alleen de leden van het studenten-corps ontbreken: die hadden vorig jaar al zooiets meegemaakt. Ons gezelschap wordt in 2 groepen verdeeld: in iedere cabine 15 personen. Dan gaan wij met de Schwebe-bahn ongeveer 3000 M hoog in een tijd van 16 minuten. Deze tocht is niet te beschrijven, dat weet ieder voor zich het beste. Als we “aan” zijn, komen wij langs een trapje op een plateau, waar we al zoo dadelijk “in de wolken” zijn.

Het gezelschap in de sneeuw.

Nu kunnen wij nog hooger en ook die trappen bestijgen wij. Eenige heeren, en nog niet eens de allerjongsten, verstouten zich, bergtoppen te beklimmen, die alleen voor geoefende te bestijgen zijn, angstig nagestaard or liefdevolle echtgenooten. Maar zij komen boven, worden gekiekt en dalen zonder kleerscheuren weer af.

Waaghalzen op den bergtop.

Nu zijn we tevreden, ofschoon er met behulp van gids en touwen andere heeren nog hooger gaan. Hier zijn verscheidene foto’s door ons gezelschap genomen. Ook gaan wij nog door een tunnel, die half Oostenrijksch, half Duitsch is, en van binnen schittert van ijs en sneeuw. Maar nu hebben wij onze lunch wel verdiend: zij smaakt ons ook heerlijk in de leuke Tirolsche koffiekamer. Tientallen briefkaarten worden daar volgepend en verscheidene souvenirtjes worden er gekocht. Zelfs ontmoeten we er kennissen uit Amsterdam.

Te 4 uur ongeveer gaan wij met de Zweefbaan weer naar den beganen grond. Nog een kiek voor het Station en wij rijden met de autocar weer naar “Alpenhof”. Daar bezetten wij de luie stoelen en vertellen moppen; Een onzer grootste mannen demonstreert op niet onverdienstelijke wijze, met omgeslagen broekspijpen, het “Schuhplattern” en de Tirolsche dansen. Een van onze dames geeft er de voorkeur aan te vallen, waarop zij door de behulpzame en zachte handen der heeren reizigers liefdevol in een ligstoel wordt neergevleid. Anderen gaan wandelen en genieten van de prachtige omgeving; de zon, de bergen het vredige landschap.

Half 8 is het diner en beter dan gisteren. Daar komt ons ter ore dat een dame uit ons gezelschap haar geboortedag viert. Haar wordt bloemen aangeboden en gelukwenschen en er wordt getoost. Daarna vroolijke avond met Beiersch-Tiroolsche dansen, muziek, jodelen en Hollandsche voordrachten en moppen. De echtgenoot van bovengenoemde dame opent de polonaise met de bloemvaas in de hand. Door de Tirolers wordt er gedanst, dat de knoopen er af vliegen. Dan spreekt een van onze heeren de Tirolers toe en wordt door een persman geinterviewd. Tot besluit natuurlijk het Oostenrijksche Volkslied en het Wilhelmus, dat door allen staande wordt gezongen of aangehoord. Een zeer geslaagde avond na een onvergetelijke dag. Als slot-tableau wordt de “gevallen vrouw” door eenige heeren op een stoel naar haar woning gebracht.

Woensdag 21 Augustus, Ehrwald.

Alweer schitterend mooi weer. Kwart vóór 8 ontbijt in “Alpenhof”. Meergenoemde dame rijdt op een boerenkar naar de wagen, waarin zij haar ontbijt gebruikt. Te 9 uur 15 vertrekken wij uit Ehrwald en rijden door Fernpass, het schoonste gedeelte van Tirol. Wij zijn nu 1240 M. hoog en passeeren de Blindsee, waar we stilhouden voor foto’s en komen te 10 uur in “Alpen Hospiz Fernstein”. Wij wandelen om de Fernstein-See en varen in kleine roeibootjes daarop en drinken een kop koffie en wandelen weer en kunnen van het vele schoon niet genoeg krijgen. Er worden ook bloemen geplukt en aangeboden aan het echtpaar, dat heden zijn 28en huwelijksdag viert. Te 12 uur lunchen we daar en te 1 uur klimmen wij weer in den wagen. Wij rijden langs torenhooge bergen, 1 loodrechte 1143 M hoog, waar keizer Maximiliaan eene nacht in een uitholling heeft doorgebracht en van waar hij den volgenden dag door zijn gids uit verlost is, die daarom tot “Ridder van den hoogen Wand” is bevorderd. In die holte zien wij een kruis. Nu rijden wij door het Inndal en stappen even uit voor foto’s van de Inn. Te ongeveer 4 uur arriveeren wij te Innsbrück, in “Gasthof Goldenen Stern”, een kazerne-hotel ruim, maar kaal. Voor het diner gaan wij Innsbruck bekijken en wijn drinken in het “Maria Theresia Hotel”. Te 7 uur is het diner; de menschen doen hun best, maar lekker is het eten niet. Om half 9 gaan wij met den leider op stap, komen in de hall van de Stadsschouwburg, maar niet verder, wandelen in de elektrisch verlichte Stadt- of Hofgarten, verliezen er een paar paartjes, jong en bejaard, die genoegelijk in de stille laantjes achterblijven en hebben verder een vermoeienden avond. Ten slotte gaan we bier drinken in “Goldenen Adler”, waar het rookerig en warm is. Dan zoeken we te half 12 ons bedje op.

Donderdag, 22 Augustus – Innsbrück.

Om half 9 krijgen wij een goed, eenvoudig ontbijt in de “Andreas Hofer” zaal. Te half 10 gaan wij met de leider zien de Hofburg met Kapel, alles heel mooi, de moeite van het loopen dubbel waard. Daarna bezoeken wij het Stadt-Museum, wat heel interessant is. Ook schilderijen van Hollandsche meesters zijn er. Na die alles bewonderd te hebben, gaan wij lunchen in Otto-Burg en vertrekken daarna met de tram van 2 uur naar Hall. Sommigen van ons gezelschap gaan inkopen doen, anderen rusten, want dezen middag zijn wij vrij. Wij zijn dan in Hall, bekijken de “Münzen Turm”, beklimmen de Hallsche steegjes, eenigen vluchten in hoogen nood een cafétje binnen, vanwaar zij later even snel weer uitloopen, als de zaak gezond is. Ons gezelschap is onderwijl neergestreken in den tuin van het Kur-Hotel een heerlijk plekje grond, waar wij de thee gebruiken en kiekjes maken. Daarna gaan wij de kerk bezien en zakken weer af naar de tram, die ons naar Innsbrück terug brengt. Diner te 7 uur. Het eten is overvloedig en de bediening prettig. Anderen gaan wandelen, wij vroeg naar bed.

Vrijdag, 23 Augustus – Innsbrück.

Het mooie weer lokt ons vroeg uit de veeren. Om 5 uur ’s morgens mis ik mijn man al. Vele anderen zijn ook al wandelen en ik volg hun voorbeeld. Wij zijn met onze kazerne-woning al verzoend, omdat het zoo dicht bij de Innbrug is. Wat een prachtig uitzicht daar op de bergen! Half 8 zullen wij ontbijten en te 8 uur vertrekken wij. In Hall wordt uitgestapt en een uur verpoosd. Wij zien als gisteren, maar ook nog het Stadhuis, waarin ons gezelschap door den Burgemeester wordt toegesproken. Als afscheid biedt hij den leider een boek van Hall aan. Dan gaan wij in een leuk klein winkeltje souvenirtjes koopen, ingelegd met bergkristal. Daarna bezoeken wij het Sanatorium, proeven het zoute bronwater, worden binnengeleid in alle zalen, waar de zoutbehandeling op verschillende wijze wordt toegepast en zien de lighallen. Prachtige inrichting! Dan stijgen wij weer in en rijden door het Siller-Thal langs Gerolstein en arriveeren te 12 uur in Kufstein. Daar klinken de tonen van het Helde-Orgel, dat boven Gerolstein elke dag te 12 uur wordt bespeeld ter eere der gevallen oorlogshelden. Dan gaan we een conditorei binnen, waar wij niet spoedig, maar wel goed eten krijgen en heerlijke koffie. Te 2 uur vertrekken wij weer en komen langs Rozenheim en Wittelsbach het eerste gedeelte van de weg is nog mooi, maar verder op wordt het kaal. Als wij te 5 uur in München aankomen, is het eerste werk: geld wisselen aan het Station, dan naar Hotel Bamberger Hof, waar wij voor de verandering weer eens kamers met stroomend water krijgen. Het diner wordt een uur verschoven: 8 uur, dus eerst wat van Munchen zien, wat bestaat in de Neuhauserstrasse afloopen tot Marienplatz met Rathaus, koffie, thee, bier of snaps drinken en ijs eten met getelde oublietjes. Na het diner tippelen wij naar “Hofbräuhaus” eene wandeling die niet mee valt, maar wij bereiken ons doel en dat is heel interessant vooral de Feestzaal. Geweldig, wat die luidjes een bier verorberen! Als we te 12 uur naar huis gaan, is het nog warm.

Zaterdag, 24 Augustus, München

Ofschoon het donker weer is, trekken wij er weer vroeg op uit: wij willen nog even wat van Munchen genieten. Te half acht, aan het ontbijt, wordt een dame van ons gezelschap gecomplimenteerd en bloemen aangeboden; want het is haar verjaardag en meteen wordt een “lang zal zij leven”, en”zij leve hoog” ingezet. Na het ontbijt gaan wij nog even uit, maar niet lang, want tien minuten vóór 9 moeten allen in den wagen zijn gezeten, omdat wij de poppetjes in den toren van het Rathaus om 9 uur willen zien dansen. Zoo gebeurt het ook, en op de Marienplatz, waar de wagen parkeerde, bezetten wij daarna weer onze gewisselde of ongewisselde plaatsen. (Dat wisselen heeft toch ook wel wat voor: wij worden wel eens door onze medemenschen in den nek gekeken, maar met wisselen kunnen wij op onze beurt weer eens anderen in den nek zien. En vandaag worden de nieuwe plaatsen extra warm aanbevolen.) De weg, dien wij volgen, is kaal en glad, de bergen hebben ons verlaten, of liever gezegd: wij de bergen, en te 11 uur komen wij te Ingelstadt, waar we uitstappen voor een kop koffie te drinken, dan op Neurenberg aan. Maar even na Ingelstadt mogen we uit den wagen om de Donau te zien, die mij echter erg tegenvalt: die is hier niet schön en niet blau. Maar toch wordt hier gekiekt. Te 3 uur bereiken wij Neurenberg en de Ratskeller. Het weer is drukkend en dreigend donker. Evenwel wordt met heel veel smaak de heerlijke lunch in de Ratskeller naar binnen gespeeld. Als leuke attentie en souvenir krijgen wij allen een envelop met kaarten van Neurenberg, wat ons te pas komt, daar wij beslist geen tijd krijgen om te fotografeeren. Een gids komt bij ons in den wagen, en als de verloren gewaande Utrechtsche dame teruggevonden is, gaan wij een rondrit door de stad maken. Bij uitzondering wordt gestopt voor een speelgoedwinkel, van welke gelegenheid anderen gebruik maken, een paar foto’s te nemen. De gids vertelt van de IJzeren Jonkvrouw en lucht alle jaartallen die in zijn hoofd vastgeroest zaten. Te half zes verlaat hij ons, en na benzine te hebben ingenomen, rijdt de wagen met ons verder. Even op weg zijnde, worden wij overvallen door een onweersbui, een ratelenden donderslag en geweldigen regen. De kap gaat dicht, maar het regent door en de heeren-regenjassen moeten er aan te pas komen om de dames te beschermen. Den geheelen avond blijft het nog lichten en regenen, en het wordt donker. Maar desondanks, of misschien juist daarom, is het echt gezellig in de wagen, er wordt gezongen dat het een lieve lust is. Te 9 uur komen wij te Wurzburg aan, maar even voordien wipt de leider uit den wagen voor een potje bier, gevolgd door verscheidene heeren, die den waard nog even gauw een nieuw biervat laten aanslaan en dan nat van den regen in den wagen terugkeeren. Wij komen bij Hotel Schwan, waar we mooie kamers krijgen en te 10 uur dineeren. Tegen 11 uur is het diner afgeloopen en we gaan in den regen nog even een straatje om tot op de brug over de Main en dan naar bed.

Zondag, 25 Augustus, Wurzburg.

Het lijkt weer goed weer, als we opstaan ten minste er worden al kieken gemaakt vanuit de ramen van ons hotel. Half acht gaan wij naar den Dom, een prachtige Barok-kerk. Het ontbijt is te kwart over 8 en om kwart voor 9 vertrekken wij uit Wurzburg. Nu rijden wij door den Spessart en zien bij Bahrbrun met eigen ogen “Das Wirtshaus im Spessart”, beroemd geworden door de novelle van Wilhelm Hauff. Te 10 uur ongeveer geeft Miss Holland eene voorstelling in een doorschijnend boschje, genaamd: “Die Wasserfall vom Spessart”. Een van onze jongeren noemt het: het mooiste natuurschoon, wat we gezien hebben. De pen weigert om alles te beschrijven: men moet dat gezien en meegemaakt hebben. Dan rijden we weer door, en iets verder, in een smal straatje, breekt het hoofdveerblad van onze wagen: wij staan een paar minuten stil, maar gaan dan weer langzaam verder. Later blijkt, dat de wagen zich zelf gerepareerd heeft: de veer heeft zich zoo vast ingegrepen, dat in aanmerking genomen de voorzichtigheid van den chauffeur, wij ons heel gerust kunnen toevertrouwen aan den “kapotten wagen”, die ons, zij het dan ook langs minder mooie, en meer gladde wegen, veilig en op tijd in Utrecht zal brengen. In Aschaffenburg gaan wij een kopje koffie drinken in “de Wildeman”. De kellner spreekt Hollandsch “All right”. Na iedere inlichting van zijn kant volgt: “All right”. Op de brug van de Main wordt gekiekt o.a. het Slot Johannisburg. Als allen afgerekend hebben, stapt men in de wagen; 1 echtpaar alleen ontbreekt. Die hadden een “schöne Aussicht” opgezocht en als zij toeteren hooren, haasten zij zich beneden te komen, maar de wagen is al over de brug gereden. Dat wordt “loopen” voor die luidjes: “it is a long, long way to Tipperary” maar zij komen er, zij het dan ook transpireerend. De reizigers in den wagen hebben zich onderwijl geweldig geamuseerd. Dan rijden wij door Offenbach en stoppen voor de lunch in Frankfurt, bij “Gaststätte Krokodil” waar wij beslist niet kieken mogen. Wij eten lekkere, maar dure biefstuk. Waarom die naam van “Krokodil”: “die Wirter oder die biefsteak?” Even vóór Mainz klinkt een noodkreet van een der heeren, die door 2 anderen gevolgd wordt. De chauffeur stopt, 3 heeren vliegen den wagen uit, een vierde vereeuwigt het schouwspel op de filmrol, wat groote hilariteit verwekt. Een der 3 heeren, nog wel de aanvoerder, weet zich achter een fietsrijder te verschuilen. Veel rustiger, dan zij er uitgegaan zijn, stappen zij weer in den wagen, wij rijden over de Rijnbrug bij Mainz, genieten van de prachtige vergezichten, zooals ze alleen de Rijn ze oplevert; Niederwald-Denckmal, Mauseturm, Burchten en Ruïnes, en houden halt te Bacharach. Het is 5 uur en verbazend druk. Allereerst zien wij een leuke handwijzer. In het “Alte Haus” is geen plaats voor ons, zoodat wij ons aan de overzijde installeeren in een konditorei, waar heerlijke koffie en cake met slagroom te krijgen is. Als wij daarna bij den wagen terugkomen, mankeert een der heeren: “die is worst eten”, weet een ander. Dadelijk zijn er, die den verlorene zoeken willen. De leider is niet bij machte, ze tegen te houden en na eenigen tijd komen allen etende, en met worst beladen, terug. Ook dit moment is op de gevoelige plaat vastgelegd. Dan nemen wij onze plaatsen in den wagen weer in. Het is 6 uur en wij rijden langs den bekenden schoonen Rijn en zien de zon achter kasteelen en bergen ondergaan. Dit is nog een heele rit en het wordt half 11, eer wij te Keulen aankomen, in hotel “Hof von Holland”. Niet verkleeden, meteen dineeren. Aan het dessert wordt een groepsfoto van het afscheids-diner genomen. Het is 1 uur voordat wij naar bed gaan.

Maandag, 26 Augustus – Keulen.

Het is donker, mistig weer. Half acht ontbijt, daarna winkelen, maar om 10 uur moeten wij aan den wagen zijn. Te kwart over 10 rijden we en komen door Düren en Jülich, in welke laatste plaats wij nog eens terugkomen, omdat de leider of chauffeur zich in den weg heeft vergist. Te 2 uur stoppen wij te Heinsberg voor de lunch, waarvoor wij slechts een half uur tijd krijgen. Toch nog tijd genoeg om een paar groepsfoto’s  bij den wagen te maken. Te half vier komen wij bij de Douane. Kleine Duitsche jongens krijgen het kopergeld dat niet over de grens mag, en heel galant helpen ons de beambten het portier van den wagen dicht gooien, dat maar steeds niet sluiten wil. Bij de Hollandsche Douane aangifte van gekochte bierpotten, tasschen. armbanden, portemonnaies, flesschen eau de cologne en kinderspeelgoed. Wat niet aangegeven is, zal niemand verklappen. Enfin – de boom gaat omhoog en wij rijden op “Neerlandsch dierb’ren grond”. Onder Weert ontmoeten wij een ijskarretje, waar wij niet voorbij kunnen, zonder ons te verkwikken. Ook dit moment is aan de vergetelheid ontrukt door foto’s. Te half zeven bereiken wij den Bosch, wat ons alreeds zooveel stof tot zingen had gegeven “Dat gaat naar den Bosch toe” enz. en drinken in Hotel-restaurant “Noord-Brabant” een klein, maar lekker kopje koffie. De laatste kiek gaat vóór den wagen op de Groote Markt. Dan instappen, maar de wagen blijft nog staan: de som gelds, die de heeren reizigers hebben opgehaald als fooi voor den chauffeur, wordt hem aangeboden met een gedichtje, even wankel als de wagen, maar even dienstig. De chauffeur dankt en zet den motor aan. De zangboekjes: “Kun je nog zingen, zing dan mee”, worden uit hun schuilhoeken gezocht en door den leider opgehaald. Dan rijden wij naar Utrecht en zien onderweg de zon prachtig ondergaan. Te half 9 ariveeren wij aan het station en nemen afscheid van de medereizigers, die niet met ons naar Amsterdam doorgaan. Even eten nabij het station en de Dieseltrein van 9:45 brengt ons te Amsterdam. Warm weer – Open taxi – Welkom thuis – Bloemen – en naar bed.

Amsterdam, 26 Augustus 1935.

(M. van de Kamp-Santen)

Gedichtje bij de fooi aan den chauffeur:

Als iemand mij opeens zou vragen:
Hoe rijdt cauffeur van Kraayenhagen?
Dan zeg ik zeker: “’t is geen wagen
Met hem te rijden alle dagen.
Gij zult u vast wel niet beklagen
Maar zijt er zeker van te slagen:
Hij zal bij panne niet versagen
Daarvan kan elk van ons gewagen.
Ook zelfs met een kapotten wagen
Zal ie op één veer U verder dragen.”
‘k Hoop, dat dit speechje U kan behagen
En wil U nu niet langer plagen,
Maar namens allen, vriend en magen,
Deez’ envelop U overdragen.

Namens alle reizigers

Den Bosch, 26 augustus 1935