Jan van de Kamp
Werken voor de bezetter
Tijdens de Tweede Wereldoorlog is Jan in 1943 samen met vele anderen door de Duitsers gedeporteerd, en gedwongen te werken in een hospitaal in Breslau (nu: Wrocław, Polen).
Het verhaal hiervan, verteld door Jan zelf, is hier gereconstrueerd uit verschillende bronnen:
- Brieven uit dezelfde tijd van Jan aan zijn ouders (zie kaders)
- Een verslag geschreven door Jan in 1987, bij een aanvraag voor een uitkering van de stichting 40-45.
- Een door Jan ingevulde vragenlijst ten behoeve van het boek Een onbelicht verleden, in 1999
- Een verslag geschreven door Jan in 2008.
Deportatie
In de bezettingstijd was er in Nederland in de lente van 1943 een “Order” van de Duitse bezettingsmacht dat alle artsen lid moesten worden van de Ärztekammer. Daaronder vielen ook de studenten die het doctoraalexamen hadden afgelegd. Ik had toen het laatste examen niet gehaald; het gold dus niet voor mij.
Maar daarna kwam een nieuw bevel, dat de overige medische studenten een loyaliteitsverklaring moesten tekenen, anders moesten zij aantreden voor transport naar Duitsland waar zij te werk gesteld zouden worden. Volgens de oproep moesten wij ons ergens melden, ik meen aan een treinstation.
Wel, dit leidde tot “onderduiken.” Ik koos hiervoor een gat onder de vloer in een kast waar de loodgieter regelmatig kwam om iets te repareren. Ik hoefde daar alleen maar in te kruipen als mijn woning gecontroleerd werd, wanneer ik niet op kwam dagen voor het transport. Ik had ook nog een mogelijkheid gemaakt door een paar handgrepen aan de muur aan de achterkant van het huis te maken, waardoor ik naar de bovenwoning kon ontsnappen.

Ik had gehoopt dat er nog wel enige tijd voorbij zou gaan voor ze me zouden missen. In ieder geval konden ze nagaan dat ik medisch student was, en of ik mijn doctoraal examen had gehaald. Semi-artsen konden in namelijk Nederland blijven: die konden ‘ze’ hier gebruiken.
Maar er kwamen twee mannen aan de deur om mij af te halen, en ik moest mee. Mijn vader had mijn twee koffertjes al gepakt: ik had er twee, één in elke hand. Ik herinner dit mij zo goed omdat op de weg, als groet, ik alleen mij even recht op kon strekken, waarop hij direct reageerde. Ik had namelijk een beetje ruzie met hem want ik was erg onhebbelijk. Hij had zelfs ooit eens een bevriende politieagent in huis gehaald om mij bestraffend toe te spreken. Als je aan het eind van mijn verhaal leest hoe ik hem misliep, begrijp je wel dat dit een afschuwelijke plot voor een roman is.
Maar goed: ik sjokte met koffers met kleren naar de trein, en af naar Ommen.
uit brief, 1 Mei 1943
Gisteren na aankomst bij het koloniaal instituut, hebben wij een formulier ingevuld en op een binnenplaats ons verzameld. Heel Medusa heeft elkaar daar getroffen. Wim Houtmans Henk van der Aa, Jan de Roy v. Zuydewijn, Joep Nolet en Toon Löwenthal en nog andere kennissen. Wij werden erg keurig behandeld en hebben ons best geamuseerd. Om een uur of half tien zijn we naar het Muiderpoortstation getrokken waar we ons ruim geïnstalleerd hebben in de trein. In onze Medusa-coupé heerste een intieme spheer. Er werd wat geslapen en wat gepraat en midden in de nacht kwamen we in Ommen aan waar we ons door het nachtelijke bos naar onze barakken begaven. We hebben daarna geslapen op geurig stroo in een 30-persoonsbed; heel gezellig en warm.
Vanmorgen hebben we wat uitgeslapen en royaal ontbeten. Morgen of overmorgen schijnen we weer te vertrekken. Het weer was tot nu toe niet zo vriendelijk maar nu begint de zon weer te schijnen. Zojuist hebben we Albert America ook ontdekt. Hij is via Maastricht gekomen.
Ik verbleef daar enkele dagen in een houten barak. Ik had plotseling hevige pijn in mijn buik. Hiervoor kreeg ik op mijn aandringen van de Sanitäter druppels liquor opii., die aanvankelijk hielpen, later niet meer. Ik vermoed dat het Baldrian (Valeriaan) was.
uit brief, 9 Mei 1943
Zojuist ben ik gekeurd en ingeschreven. Waarschijnlijk vertrekken wij Dinsdag. Dan gaan we naar het (district?) Brandenburg. De medici komen daar in lazaretten, waar thuis-artsen van ons aan het hoofd staan. Waarschijnlijk blijven wij kennissen wel bij elkaar. Eten hebben we hier genoeg. Mijn rookkaart heb ik later niet nodig: die zend ik dan hierbij terug, benevens de broodbonnen van deze week. Gisteren zijn er al een duizendtal studenten vertrokken.
Het wordt hier steeds gezelliger. Wij hebben hier met onze groep een van de beste barakken getroffen. Wij hebben allemaal van alles meegenomen en verder hebben we toch al genoeg eten van hier dus we hebben aan niets gebrek.
Wij werden per trein naar Potsdam (Berlijn) getransporteerd.
uit brief, 13 Mei 1943
Gisteren zijn we in Potsdam aangekomen in het Durchgangslager Rehbrücke. Het is hier een kamp met alle accommodatie. Warm en koud water, douches. Het eten is goed. Bovendien krijgen we 2 cigaretten per dag en kunnen we bier kopen. We worden waarschijnlijk (de medici) in ziekenhuizen te werk gesteld en we kunnen waarschijnlijk ook grotendeels bij elkaar blijven. Het is hier prachtig weer zolang als we hier zijn al. Ik heb zojuist mijn laatste brood van thuis opgegeten.
Het grote tentenkamp in Potsdam was een sort slavenmarkt. Ik behoorde tot een groepje dat gereed moest staan voor een oproep. Ieder had een nummer. Er liep een groepje mannen rond die lijstjes hadden van jongens die zij voor diverse fabrieken nodig hadden. Ik werd als medisch student opgeroepen.
uit brief, 14 Mei 1943
Zojuist heb ik gehoord dat ik naar Breslau vertrek straks om half twee; Henk van der Aa zit in dezelfde groep. Om half vijf vertrekt de trein uit Berlijn en vanavond om een uur of 9-10 zijn we in Breslau. Vandaar worden we verdeeld over ziekenhuizen in de buurt.
Ik werd in een kudde van gelijksoortig vee naar een treinstation gedreven. Hier moesten wij wachten op een trein naar Breslau. Er kwamen verschillende treinen, stoptreinen, D-treinen, sneltreinen, maar wij moesten natuurlijk wachten op een stoptrein.
Ik stond naast een merkwaardige jongen uit Brabant, Henk van der Aa. Een eenvoudige, gezellige jongen; en zeer intelligent. Hij had een indrukwekkend postuur, waarvan hij zich zeer goed bewust was, maar dat stelde niets voor en was alleen maar grappig, evenals zijn indrukwekkende gebiedende taal, waarvan hij zich op een slimme manier bediende, en die niemand verstond.
uit brief, 15 Mei 1943
Bij het overstappen aan het station Wannsee ben ik onze groep kwijtgeraakt. Ik vond alleen Henk van der Aa. We zijn toen samen in een andere trein gestapt naar Berlin-Friedrichstraße. Op het station in Wannsee ontmoetten we ook nog even Toon Löwenthal die naar Stettin ging. In Friedrichstraße zijn Henk en ik zonder kaartje met veel praten op het perron voor de Fernbahn gekomen. Henk is toen met een andere trein naar een station gegaan waar de andere groep waarschijnlijk zou overstappen. Hij vond ze daar niet maar stapte toen in de trein naar Breslau die langs het perron kwam, waar ik stond. We zijn er toen samen met onze bagage ingeglipt (onze leider had het gezelschapsbiljet). De trein vertrok om half vijf. We zijn gecontroleerd door conductrices, Criminalpolizei en Wehrmacht, en alles verliep prachtig.
Terwijl wij in de trein in de mensenmenigte stonden, werden wij natuurlijk gecontroleerd. Henk trok snel even zijn persoonsbewijs uit Nederland, dat niemand kende, maar met zijn gebaar en zijn postuur werd dat direct geaccepteerd. Intussen gedroeg ik mij meteen als zijn assistent, voor iets onbegrijpelijks, wat ook prima lukte.
uit brief, 15 Mei 1943
In Silezië werd het landschap erg mooi. Om half elf kwamen we in Breslau aan. Op het perron in Breslau kwamen we tot de ontdekking dat we de Eilzug genomen hadden en een tijdje later kwamen de anderen aan.
Er is veel verlichting hier tot elf uur op straat. We zitten nu in een barak in het ziekenhuis (academisch, 1800 patiënten). Waarschijnlijk kunnen we over enige tijd kamer krijgen in de stad. Het eten is hier zeer goed. Ik heb mijn brief aangetekend verzonden omdat het dan vlugger schijnt te gaan. Het heet hier “Allerheiligen-Krankenhaus”.
Breslau
In Breslau werden wij als enige Nederlanders op het station waardig ontvangen, en mee getroond naar het Allerheiligenhospital, waar men dacht dat wij uit eigen vrije wil gekomen waren om hen te helpen. Hier werden wij vol eerbied (voor het laatst!) met koffie en broodjes ontvangen.
Later kwamen er ook een paar gewone jongens bij en werden wij ingekwartierd, waarvoor wij een groot aantal trappen op moesten naar de bovenste verdieping. Er bevond zich een waterkraantje en een toilet. Alles was van beton en er stonden enige ijzeren ledikanten. We kregen wat beddegoed toegestopt, waarvan ik mij niets meer herinner. Ik herinner me nog een experiment van een paar jongens, waarvan er één grote winden kon laten, die dan door een ander met een luicifer werden aangestoken wat een vlam opleverde.

uit brief, 19 Mei 1943
Gisteren ben ik met mijn werk begonnen hier in het Allerheiligen-Krankenhaus. Ik heb het het beste getroffen van allemaal. Ik ben bij de Chirurgische polikliniek gekomen. ’s Morgens om half zeven begin ik. Om half acht tot acht uur is er ontbijt. Daarbij krijgen we een “Semmel” dat is een knappend vers broodje van zuiver wittebrood. Daarna is er dan van 8 u tot praktisch half één spreekuur waarop ±120 patiënten komen met verwondingen door ongevallen. Die moet ik dan ook verbinden samen met enige verpleegsters terwijl er een dokter tussendoor loopt en aanwijzingen geeft. Als het even stil is, gebruiken we in de loop hiervan wat soep. Om half één tot één uur gebruiken we het middagmaal in de “Teeküche” van de afdeling. Al het eten is in diensttijd en op de afdeling. Ik ben als enige van de groep van 16 studenten op deze afdeling. ’s Middags is er 2 uur vrij, daarna zijn we tot 7 uur op de afdeling, terwijl we van half 7 tot 7 uur het avondeten gebruiken, weer met een “Semmel”. Gisteren heb ik door bemiddeling van mijn “Oberschwester” geassisteerd bij 6 operaties van half negen tot drie uur waarbij ik druk meegesneden en -geknipt en -gevoeld heb naar tumoren in de buik enz. Waarschijnlijk zal ik Vrijdag weer assisteren. ’s Avonds drink ik meestal een biertje met de anderen in een “Ratskeller” hier in de stad. Dikwijls eten we dan nog “Spinat” of iets dergelijks zonder bon. Om de andere Zondag hebben we Zondagsdienst.
Sinds Potsdam hebben we geen rookgerei meer gekregen er waarschijnlijk krijgen we daarvoor hier geen bonnen ook. Een wasserij zouden we nog krijgen. In Ommen was mijn bril gebroken in de neusbrug. Ik draag hem nu, geplakt met leukoplast en bij elkaar gehouden met een draad garen. Ik ben hier bij een opticien geweest die mij Zeiss glazen kan laten maken zoals ik ze had (hij kan in een toestel daarvoor direct zien welke glazen het waren, ook de cylindrische afwijking) en een montuur erbij (die zijn in Holland niet meer te krijgen). Hij berekende 12 mark voor de glazen en 13 mark voor het montuur: samen 25 mark. De bril die ik nu draag zou hij dan kunnen laten maken: er wordt dan een nieuwe brug ingezet. Dan zou ik een behoorlijke reserverbril hebben.
Over het loon dat wij zullen krijgen is men het hier nog niet helemaal eens. Men wilde ons hier eerst als studenten beschouwen die hier voor studiedoeleinden kwamen en dus niet betaald werden. Nu schijnen wij 180 mark in de maand te zullen krijgen waar 80 mark vanafgaat voor kost en inwoning en dan nog het nodige voor winterhulp en belasting.
Ik schijn mijn brieven per luchtpost te kunnen verzenden. Mijn enveloppen mogen niet gevoerd zijn en moeten aan het postkantoor afgegeven worden tegen overlegging van persoonsbewijs. Ik heb gehoord dat pakjes het beste gestuurd kunnen worden per van Gend en Loos; per post zou er veel van verdwijnen.
Breslau heeft interessante middeleeuwse straten en gebouwen.
Wij waren met ongeveer vijf jongens en werden aangesteld als Hilfspfleger. Niemand had natuurlijk enige ervaring als verpleegster maar men moest meelopen met de verpleegsters en alles doen waar zij geen zin in hadden, zoals de vloer vegen, brancards duwen, emmers water en rotzooi dragen e.d. Maar het waren vrouwen, en wij waren jonge jongens, dus daar stak natuurlijk ook iets in.
Zo kregen de jongens op den duur een liefje en daar was natuurlijk altijd wel iets mee te versieren. Als je je als jongen zoiets liet aanleunen had je er in ieder geval altijd wel profijt van zo veel als je wilde. Daar kwam natuurlijk ook jaloezie bij van andere verpleegsters die met aangifte bij de politie, zeg maar Gestapo, weer daarvan gebruik konden maken om hun kwaadaardigheid te vieren.
uit brief, 23 Mei 1943
Het is vandaag Zondag en ik heb Zondagdienst. Zoals ik al geschreven heb ben ik hier op het “Unfallstation”. Hier komen dus de ongelukken binnen. Verder is hier de Chirurgische polikliniek ieder ochtend. Dus spreekuur voor patiënten die door hun dokter hier naar toe gestuurd zijn. Dan is het zeer druk. Er komen ieder ochtend ±120 patiënten. In de loop van de dag komen er dan verder geregeld ongelukken binnen. Vandaag is hiet niet druk en beperken we ons tot de behandeling van de acute gevallen die er binnen komen. Daardoor heb ik nu ook gelegenheid om te schrijven. Gisteren was het zeer druk. Ik ben van half zeven ’s morgens tot ’s avonds half negen bezig geweest zonder vrije middaguren. Het was toen ook zeer druk.
Het eten is werkelijk zeer goed. Wij eten hier op onze afdeling met zijn zevenen. Van de zes zusters zijn er vier Katholiek wat zeer toevallig is, want vooral dit ziekenhuis en verder ook Breslau en Silezië is overheersend Evangelisch. (2:1) De zusters brengen zelf zo nu en dan iets mee voor het eten van zich zelf en daar profiteer ik ook van. Gisteren heb ik “Bratkartoffeln” gegeten en sinds enige dagen krijg ik het rantsoen brood van een zuster erbij omdat zij zelf een brood meegebracht heeft. Ik ben nu langzamerhand mijn boter van thuis aan het opmaken. Ze staat hier in een ijskast en blijft daardoor nog goed. U ziet dus dat ik van thuis geen extra voedingsmiddelen nodig heb als het zo blijft. Vanavond kunnen wij hier onze wasch inleveren, die wordt dan gewassen hier in het ziekenhuis. De volgende keren kunnen we ze laten wassen door een wasserij. Dan krijgen wij daarvoor van hier zeepbonnen. Ik vergat nog te vertellen dat ik van 18-23 Mei van 140 op 144 pond geklommen ben. Ik laat mij in het vervolg hier geregeld wegen op een weegschaal die een kaartje afgeeft; dan is het vastgelegd.
Ik ga hier iederen avond in de stad een biertje drinken met Henk van der Aa of een paar andere studenten en tussen de middag slapen we meestal wat of gaan we in de rij staan bij een ijswinkel waar ze zeer goed ijs verkopen. ’s Avonds vertellen wij elkaar onze bevindingen in het ziekenhuis. Het is wel duidelijk dat ik het beste baantje heb getroffen. Gisteren heb ik nog twee operaties geassisteerd, een blinde darm en een rib-resectie.
Er komen hier geregeld Franse tewerkgestelden op het spreekuur en aangezien hier niemand Frans spreekt of verstaat fungeer ik dan als tolk en meestal maak ik dan meteen een praatje met ze. Er komen hier ook Polen: deze hebben een P op hun revers en Russen (meest Russinnen) met OST op hun revers. In de stad lopen ook veel jonge Tsjechen. De Polen mogen evenals de Joden niet in de cafés en levensmiddelen-winkels komen. Joden zie ik hier niet meer. Alleen in de trein van Berlijn naar Breslau heb ik er een gezien. Het is hier nog steeds mooi weer, maar dikwijls guur. Ik zal deze brief aangetekend per luchtpost sturen: dat schijnt het snelste te gaan.
Cigaretten hebben we hier nog niet gehad en het ziet er niet naar uit dat we die zullen krijgen.
Vorige Zondag was er hier in de stad ook een Hoogmis waarin ik violen hoorde meespelen op het koor.
In het ziekenhuis was een lift met een klein Duits opdondertje als liftbediende dat regelmatig gesprekken overbracht aan de Gestapo, die hem er voor betaalde en er “zo nodig” gebruik van maakte.
Er werden echter ook enkele jongens door de arts of specialist ingezet bij de medische arbeid. Eerst werd ik gevraagd narcose te geven met chloorethyl en aether. Later assisteren bij operaties.
Een jongen werd assistent van een uroloog, en moest bijvoorbeeld assisteren bij een prostaatectomie. Hij vertelde mij van ontzettende bloedingen, niet alleen tijdens de operatie, maar ook in de nacht daarna als hij er bij moest oppassen. Dan volgde er natuurlijk een vreselijke toestand, met dichtdrukken van bloedvaten enz.
In deze periode kregen wij ook een redelijke slaapplaats, en een plaats aan tafel in de eetzaal van het personeel.
uit brief, 30 Mei 1943
Het is vandaag Zondag en wel mijn vrije Zondag. Ik heb vandaag tot kwart voor negen uitgeslapen en ben daarna naar een mis geweest in een Barok-kerk. Onder het scheren om negen uur kwam er plotseling een postbeambte hier zes trappen opgeklommen om mij 25 RM af te geven die telegrafisch gisteren waren verzonden. Dit is een mooie, snelle methode. Ik heb later weer gehoord dat van Gend en Loos toch niet zo goed is voor het versturen van pakjes. Men zegt hier dat het beste is: per post en aangetekend. Ik was samen met een collega de eerste die post uit Holland ontving.
Gisteren was er een Hollander op het spreekuur, die aan Circus Barek verbonden was. Hij wist allerlei nieuws van een kameraad die de vorige dag aangekomen was in het circus. Via een adres in Berlijn zouden we nog horen waar de andere Medusanen, die na ons uit Potsdam zijn vertrokken, terechtgekomen zijn; wij hebben echter nog niets van hen gehoord. We weten zo alleen dat Toon Löwenthal in Stettin is. Wel hebben wij post gekregen van studenten die in Wenen en Innsbruck zijn terechtgekomen.
Het werk hier bevalt me nog steeds goed. Ik steek overal mijn neus in en als ik een of ander werk door heb, neem ik het over. Zo blijft het steeds variëren: patiënten onderzoeken, ondervragen, wonden verzorgen, krammen, verbinden, patiënten inschrijven, onderbrengen op een “station” (afdeling), assisteren bij operaties, narcose geven, alle mogelijke verbanden maken. Bij operaties gaat het, mirabile dictu, zeer democratisch toe: als ik aanmerking maak op een naad of zo, wordt hij wat netter gemaakt “wenn Sie sich daran ärgern”. De afgelopen week ben ik weer een pond aangekomen: 145 pond.
Ik kan ’s avonds of ’s nachts eruit geroepen worden om bij een operatie te assisteren of narcose te geven.
uit brief, 16 Juni 1943
Zondag (Pinksteren) ben ik naar de Dom-Kirche geweest. Hier was een pontificale Mis, opgedragen door Kardinaal Bertram. Dat hij het was hoorde ik pas achteraf. Zijn gezicht kwam me wel bekend voor; hij was een klein, oud mannetje. Toevallig stond hij bij het uitgaan van de kerk enige tijd vis à vis met mij, zodat ik hem goed op kon nemen. Ik hoorde dat hij 87 of 88 is.
Er is hier in de buurt een klein café waar we ’s avonds wel eens naar toe gaan omdat er een piano staat waarop ik dan speel.
Er zijn hier zusters die zo brutaal waren om te vragen of ik een pond koffie kan laten opsturen, in Holland te kopen, waar ze 150 mark voor wilden betalen.
Geld hebben wij nog niet ontvangen. Zoals ik, meen ik, al geschreven heb, zou dat bruto 180 RM zijn. Een week geleden werd officieel gezegd dat men hier het geld voor ons pas op de 15e ontving. Nu hoor ik vertellen dat, aangezien wij de 17e zijn begonnen te werken en het loon op de 15e uitbetaald wordt, als men een volle maand gewerkt heeft, wij de 15e Juli pas geld krijgen. Ik heb 50 RM van een collega geleend die nu op zijn en 15 RM aan een ander geleend; deze situatie is echter te wijten aan de omstandigheid dat wij hier een maand leven zonder loon ontvangen te hebben.
De eerste was is hier in het ziekenhuis gedaan. De tweede bij een wasserij: dit was heel netjes: de boorden en manchetten waren zelfs enigszins gesteven. Bij een schoenmaker heb ik mijn zool vast kunnen laten spijkeren en ik heb een adres van een schoenmaker gekregen waar ik mij kan laten inschrijven.
Het medische werk gaat zijn gewone gang en verveelt mij niet. Mijn scheerapparaat kan ik denkelijk hier niet gebruiken omdat het hier naar alle waarschijnlijkheid overal gelijkstroom is.
Henk van der Aa en ik hebben nog steeds de beste positie van ons allemaal hier. Bovendien zijn de doktoren bezig om onze positie binnen het kader der gegeven opdrachten zo veel mogelijk naar die van een arts en zo min mogelijk naar die van een verpleger te verschuiven, terwijl wij officieel verpleger zijn.
De weegschaal met de kaartjes is buiten dienst; zodra hij weer functioneert, laat ik mij weer wegen.
Enige dagen geleden heb ik een Franse film gezien die heel goed was. Jammer was natuurlijk, dat de spelers Duits spraken. De titel was: Sie waren recht. Het was een detective-film.
Ik kreeg nu ook regelmatig zelfstandig operaties te doen: in het begin vooral veel appendixen, later ook heupen en fracturen.
uit brief, 22 Juni 1943
Zondag ben ik bij Jezuieten naar de kerk geweest. De preek was zeer interessant.
Gisteravond ben ik met Henk een eindje buiten de stad geweest. het was midzomeravond (21 Juni) en prachtig weer en tenslotte was het landschap ook wel aardig.
Gisteren en vandaag was het op mijn afdeling geweldig druk, het spreekuur was stadionachtig druk en de ongevallen waren als een normaal spreekuur: in de behandelkamer zaten en lagen ze in rijtjes. Onze telefoons rinkelden daar nog tussendoor. We hebben ook een telefoon die zowel voor stadverkeer als voor verkeer binnen het ziekenhuis gebruikt kan worden en wel zo dat als je binnenshuis telefoneert, het toestel voor een gesprek met de stad nog kan rinkelen wat een enerverend lawaai is, vooral als hij door elkaar voor stad- en ziekenhuis-gesprek tegelijk rinkelt.
Maar ook als het druk is, is het werk hier nog prettig en de zusters op mijn afdeling zijn dan nog even beleefd en vriendelijk.
uit brief, 11 Juli 1943
Met de brieven is het slecht: Wij hebben hier ongeveer 2 weken geen post meer uit Holland gehad. Vanmorgen kregen enkelen van ons een brief: Ik kreeg er een van Ben Randag, die 16 Juni verzonden was. Volgens sommigen zijn de bombardementen van Keulen de oorzaak; de aangetekende post zou over Keulen gaan.
Voor geval dit nog een nadrukkelijke bevestiging behoeft verzeker ik U dat het mij nog steeds zeer goed gaat. Een paar dagen geleden heb ik mijn maag vol kersen gegeten vanwege een zuster die een grote tuin heeft op het land en van wie ik ook altijd brood krijg.
Ik kan gebruik maken van een studeerkamer voor de arts op onze afdeling. Via de ouders van een zuster kan mijn regenjas gereinigd worden en “die Mutti” zal ook onderzoeken hoe hij gerepareerd kan worden (de kraag en de te korte mouwen).
Vanmorgen had ik op het spreekuur een Franse Rechten-student van Montpellier. Hij was sinds één week hier, niet vrijwillig en werkte op een fabriek waar hij gaten ponste in staal. Nu had hij er één keer naast geponst met het gevolg dat zijn grote teen kapot was.
Juist toen ik hier in de chirurgische dienstkamer aankwam ontmoette ik de Oberartzt die me verzocht te assisteren bij een operatie die plotseling gekomen was. Het viel echter bar tegen. De blinde darm was intact, de dikke darm ook. Nadat we ongeveer alles naar buiten gehaald hadden wat naar buiten te halen was, vonden we een kleine perforatie-opening in de dunne darm.
Wij hebben onze behuizing wat gezelliger gemaakt door strooptochten te houden op de zolders. Het resultaat is al merkbaar doordat er niet, zoals eerst, zo nu en dan een stroming ontstaat om alles kapot te gooien, of op een hoop te gooien: bedden matrassen, stoelen enz. We hebben ook regelmatig een bulletin aangeplakt met het laatste nieuws over Sicilië.
Ik heb een hangslot van Henk van der Aa en een paar ogen van een zuster, zodat de inhoud van mijn kast thans safe is.
Gisteravond is een van de Tsjechische knechten van het ziekenhuis bij ons boven geweest met zijn grammofoon met Jazz-platen, waaronder veel Tjechische die zeer goed waren. Hij voorzag hiermee in een behoefte die allen al lang gevoeld hadden.
Met de H. Bureaucratius sta ik al op vertrouwelijke voet: ik heb er al een handje van om iedereen die bij me komt langs de meest gecompliceerde weg van het kastje naar de muur te sturen.
De telefoon op mijn bureau gaat weer. Ik dacht dat het Henk van der Aa was met het voorstel om een biertje te gaan drinken, maar het is een boodschap dat er een darmafsluiting is die geopereerd moet worden, maar misschien vergissen ze zich; het is een zuster die opbelde.
Meer dan voor de grote chirurgie interesseer ik me toch voor de kleine chirurgie: vooral het repareren van gebroken armen en benen. Op mijn verzoek, doe ik nu mee aan alle reparaties van fracturen die er bij ons in de buurt gedaan worden.
Ik werkte op de polikliniek van het Allerheiligenhospital, waar de patiënten in lange rijen stonden met zwerende vingers, fracturen en andere ‘kleine chirurgie’.
In het hospitaal was een lange gang, maar betrekkelijk smal, misschien 3 à 4 meter breed. Links en rechts waren deuren naar verschillende afdelingen: naar een wachtkamer, naar een eetkamer van de zusters, naar de chirurgie, naar de Röntgenkamer, en aan het eind naar de orthopaedie. Aan het begin van de gang was de ingang vanaf de straat. Mensen die vandaar binnen kwamen, en naar zo’n afdeling moesten, moesten dan vaak voor één van die deuren even wachten. Dus de gang stond vaak vol met allemaal mensen.
Nu was ik eens in de eetzaal, die ook aan die gang lag, mijn lunch aan het eten, en ik zag door de gang iets aankomen. Ze waren blijkbaar in de operatiekamer bezig geweest, en moesten midden tijdens de operatie iets anders doen, waarschijnlijk een Röntgenfoto maken of zo. Dus moesten ze naar de Röntgenkamer, en alles moest mee. Er liep zodoende een hele stoet, bestaande uit: de patient, liggende op brancard, met narcosemasker, infuusslangen en de buik bedekt met lakens, de chirurg, met operatiemasker, en zijn handen omhooggeheven -hij moest immers zijn handen steriel houden-, de narcotiseur met zijn rijdend apparaat, de operatiezuster, de assistent die de infuuszak hoog hield, allemaal op weg naar een Röntgenkamer. Ik vond dat interessant, en dacht: daar loop ik achteraan! Dus ik ging aan het eind van de stoet erbij lopen. Ik deed of ik iemand was die erbij was, geen steriele handen had, maar toch iets moest aangeven of zo.
Alle mensen die langs de kanten stonden, die zagen deze stoet, waren helemaal onder de indruk; ze gingen stijf tegen de wand, eerbiedig; sommigen bogen, anderen vielen op hun knieën; ze dachten dat er een processie aankwam met het allerheiligste!! Ik geloof dat er zelfs mensen waren die een kruisteken maakten! Maar misschien verbeeld ik me dat maar.
Hilarisch natuurlijk, maar de Duitsers konden om zoiets helemaal niet lachen. Niemand van het operatieteam lachte hier achteraf om.
Ik vond ook de Duitse manier van commanderen, met die felle kreten, erg leuk. Op een keer, weer bij de lunch in de eetzaal bij de verpleegsters, dacht ik, ik ga dat ook eens proberen. Ik ging eens midden in die gang staan, het was heel rustig, en toen zei ik ineens, heel hard: “RUHE!!!” Daarvoor was er nog wel enig geruis, wat gepraat, maar na mijn kreet was het ineens doodstil! Er gingen deuren open, en mensen keken mij aan. Ik vond het prachtig!
Direct daarna werd ik in mijn kraag gepakt en bij de hoofdverpleegster gebracht. Die vond het helemaal niet leuk! Ze begrepen daar dat ze in de maling werden genomen.
uit brief, 26 Juli 1943
Het gaat met mij nog steeds goed. Ik verricht de laatste tijd volkomen artsen-arbeid en kleine chirurgische arbeid zelfstandig, zowel in de polikliniek als in het ongevallenstation, dus het naaien van wonden en behandelen van allerlei ongevallen. Dat is dus interessant werk wat niet gaat vervelen.
Gisteren hebben we tot half 2 in de nacht geweldig goede grammophoonplaten gedraaid op een prachtgrammophoon, die ik te leen heb van een zuster. Het waren platen van Bennie Goodman (Undecided), de Andrew-Sisters (Sha Sha), Victor Sylvester, Charlie Kunz, Nat Gonella enz.
Vanochtend hoorden wij van het aftreden van Mussolini.
uit brief, 8 Aug. 1943
Wat mijn gewicht betreft kan ik U niet met cijfers inlichten daar mijn weegautomaat buiten werking schijnt te blijven, maar ik eet goed en voel me goed dus dat is in orde.
Mijn werk hier blijft nog steeds zeer interessant. Een paar dagen geleden heb ik door een vergissing een juffrouw dichtgenaaid met on-steriele handschoenen. Ik ben benieuwd: m.i. geeft het nl. niets.
uit brief, 12 Aug. 1943
Wij wonen nog steeds in het ziekenhuis, maar men schijnt ons nu in een huis hier vlakbij te willen onderbrengen.
Ons salaris is nu 50 RM per maand. De volgende maand schijnen we met terugwerkende kracht 160 RM in de maand te krijgen; met aftrek van kost enz. zou het ±100 RM worden.
Nu werd het voor mij en voor iedere medicus echt interessant. Ik werd toevertrouwd aan een chirurg.
De chirurg, Dr Hoberg, maakte op mij een heel respectabele indruk. Hij had natuurlijk al een Duitse assistent, maar het leger trok steeds assistenten bij hem weg om in het leger dienst te doen, zodat ik na verloop van tijd de meest bruikbare medische hulp voor hem was. De enige assistent die bij hem gebleven was, was een bescheiden internist, Medizinalrat Dr Ritske, die niet voor het leger deugde, en vreselijk op zijn kop gezeten werd door zijn chef Dr. Hoberg.
Maar ik heb daar veel geleerd, ook van Dr Ritske. Haast vanzelfsprekend kwam het zo ver dat ik zelf dag en nacht Zugänge (opnames) diagnostiseerde en appendectomieën moest doen. De chef boven de chirurg, Primärarzt Dr Simons, had een heel bruikbaar stukje geschreven in een medisch tijdschrift dat ik vond, over diagnose en behandeling van acute, ernstige buikaandoeningen.
uit brief, 26 Aug. 1943
Henk van der Aa en ik zijn sinds enige dagen als “famulus” ingezet. D.w.z. dat we officieel geen verpleger zijn maar assistent van de artsen en dus niets met het verplegend personeel, hoofdzuster e.d. te maken hebben.
uit brief, 7 Sept. 1943
Mijn regenjas is keurig gereinigd en gerepareerd: kraag, manchetten enz. door een zuster van mijn afdeling en ik mag er niets voor betalen ook.
Ik was eens op bezoek bij de familie van één van de verpleegsters van de polikliniek. Daar was toen een feestje. Het waren hele beschaafde mensen. De zoon van de familie zette op een gegeven moment de radio harder. De vader zei meteen: “Zet die radio niet zo hard!” De zoon antwoordde: “Aber Vati, jetzt kommt der Herr Reichkanzler Herr Göbbels, über die Lage der State!” Blijkbaar kwam Göbbels vertellen dat het weer beter ging met de oorlog. De vader gaf de jongen zo’n oorvijg dat hij over de grond rolde. De jongen vloog meteen onder de tafel! Het hele gezin bulderde van het lachen.
Dr. Hoberg was erg beducht om de goede naam van Duitsland hoog te houden. Nu was er in het operatieteam ook een internist, een dikke man; dat was verder een vent van niks, een goeierd. Die vertelde mij het verhaal van Goethe, over de man genaamd Götz von Berlichingen, die in het verhaal roept ‘Leck mich am Arsch!’ En hij zei dan zelf wel eens in het bijzijn van Dr. Hoberg, niet letterlijk ‘leck mich am Arsch’, maar: “Götz von Berlichingen!” Dat was een duidelijke referentie.
Dr. Hoberg werd daar altijd boos over; hij vond dit een belediging van de kwaliteit en de hoogstaandheid van het Duitse ras!
uit brief, 23 Sept. 1943
Ik maak het hier nog steeds best en verricht zelfstandig dokters- en chirurgische arbeid. Vandaag heeft de Oberin me overgeplaatst naar Neurochirurgie, waar ik de operaties moet assisteren, maar de chef van mijn afdeling is het er niet mee eens, waarschijnlijk blijf ik dus op mijn “station”.
Ik heb hier nog een studieboek gekocht en een stethoscoop. Als ik hier nog iets fatsoenlijks kan kopen doe ik het maar omdat het geld dan tenminste is omgezet in iets wat zijn waarde behoudt.
Neurochirurgie
Maar ik heb ook op de neurochirurgische afdeling “gewerkt”, op aanbeveling van “mijn” chirurg. En dat was niet mis: op de beroemde afdeling van Förster! De man die rugpijnklachten bestreed met de onderbinding van de achterwortels zenuwen van het ruggemerg. Förster was daar opgevolgd als neurochirurg door zijn schoonzoon.
Daarbij hielp ik ook bij hersenoperaties, waarbij ik onder de operatietafel zat en met de patiënt moest praten om te controleren of hij nog bij westen was, en wat hij voelde bij bepaalde ingrepen in de hersenschors. Ik heb echter ook bij de operaties zelf geassisteerd en zelf hersenoperaties uitgevoerd; ik vond toen b.v. een eenvoudige manier uit van bloedstelping van kleine vaatjes, met behulp van Argentum Nitricum stiften zoals gebruikt bij het scheren, in plaats van electrocauterisatie (het verbranden met de naald)! Ja, het hielp!
Ik woonde steeds de besprekingen bij voor en na de operaties, waarbij het me wel wat verbaasde dat men een gemiddelde overlevingskans van één op de drie operaties normaal achtte (of was het omgekeerd: één dode tegen twee levende patienten; ik weet het niet meer).
Na een “geslaagde” operatie tracteerde ik eens op een flesje cognac Napoleon, dat mijn vader mij had toegestuurd uit Nederland. Zij deden daar heel eerbiedig bij.
uit brief, 10 Oct. 1943
Ik ben nu in de Chirurgische Polikliniek, het Unfallstation en op Neurochirurgie werkzaam. Woensdag en Zaterdag assisteer ik een operatie bij de Neurochirurgie. De andere dagen ben ik in de Polikliniek en het Unfallstation.
Nu gebeurt het dikwijls dat er Woensdag of Zaterdag geen operatie is of dat er op een andere dag een ventrikelpunctie is of een andere kleinigheid op de Neurochirurgie. Van zo’n gelegenheid maak ik dan gebruik om een vrije dag te nemen en in het Scheidniger-Park in de zon te liggen of in bed wat uit te slapen.
Soms als ik zin heb, werk ik dan weer een hele dag of nacht door. Dan vergaat de tijd soms onbegrijpelijk snel, doordat ik dan alleen met één zuster werk (’s nachts) en we dus meer zelf moeten doen. De patienten zijn ’s nachts meestal buitengewoon openhartig. Dikwijls zijn het arbeiders uit machinefabrieken die in de nachtploeg met hun vingers in een frees of iets dergelijks zijn gekomen. Toen ik vannacht mijn laatste duim geamputeerd had en op de klok keek kon ik niet geloven dat het 3. uur was. Als dan alles opgeruimd is roken we nog een sigaret en komt de nachtzuster uit de hoek met eigengebakken taart of thee of zoiets. De andere dag slaap ik dan weer eens goed uit.
Henk van der Aa is nu door een complex van intrigues ook in het Unfallstation gekomen, wat de gezelligheid nog bevordert.
Het is nu 12.-u ’s nachts. Henk heeft havermout gekookt. Daarna heeft Schw. Erika Streußelkuchen geserveerd.
Het is hier de laatste dagen prachtig weer. Vanmiddag heb ik ervan geprofiteerd door een wandeling in het Scheidniger Park.
Ik vond in een hoek achter de operatiekamer enige kanariekooitjes, en vroeg waar dat voor diende. Fluisterend achter de hand werd mij toen verteld, dat de grote neurochirurg tijdens de operatie de kooitjes compleet met kanaries in de operatiekamer zette, om de kanaries te horen zingen. Toen de chef dit hoorde, werd hij vreselijk boos en zei dat het allemaal gelogen was. Maar volgens mij had hij er ook om kunnen lachen; zijn boosheid deed mij toch twijfelen aan zijn woorden.
uit brief, 21 Nov. 1943
Dr. Schubert, mijn chef, is weg. Ik kon de laatste maanden steeds beter met hem opschieten, dus dat is wel jammer. De nieuwe chef is lang niet zo kundig, maar ook met hem kan ik best samen werken. Daar komt nog bij dat we alleen maar Maandag- en Vrijdagochtend samen in de Polikliniek zijn omdat ik Woensdag en Zaterdag neurochirurgisch opereer en hij Dinsdag en Donderdag niet verschijnt.
Een paar dagen geleden ben ik bij Dr. Schubert op bezoek geweest daar hij nog afscheid wilde nemen. Hij heeft toen verteld en fotos laten zien van zijn schoonvader, de beroemde Foerster, een neurochirurg die in ’41 overleden is en waar hij heel trots op is. Daardoor kent hij ook veel internationale figuren op dat gebied, ook Hollanders. Die mensen schijnen elkaar allen persoonlijk te kennen.
Op een gegeven moment werd van ons verlangd een nieuwe loyaliteitsverklaring te tekenen. Sommigen hadden hier wel oren naar, onder het motto ‘wat doet het er toe, het is onder dwang en niemand behalve de Duitsers kan dit au serieux nemen’. Ik heb er toen vurig voor gepleit dit opniew te weigeren, vooreerst uit principe, en voorts er op wijzend dat dan de hele transportaffaire voor niets was geweest. Er was trouwens geen sprake van dat in geval van tekenen wij weer naar Nederland zouden kunnen terugkeren. Wel kregen wij een donderspeech van de directeur van het ziekenhuis met “redding van Europa van het bolsjewisme” wat wij dan feitelijk zouden weigeren. Toch hebben vijf jongens, waaronder ik, besloten niet te tekenen. Wij vonden onszelf erg flink, maar hadden het bovendien zo slecht niet in onze toestand; wij zagen het min of meer als een interessant avontuur. Het niet ondertekemnen leek ook verder geen gevolgen te hebben.
In December werd ik en enkele anderen onvergeplaatst naar een hulpziekenhuis.
uit brief, 24 Dec. 1943
Ik ben weer engiszins van positie veranderd. Ik ben nu n.l. in een hulp-ziekenhuis met een professor uit Kroatië, (Prof. Riezner) en Dr. Hoberg, mijn chef van de Polikliniek, waar mee ik zeer goed kan opschieten. Ik ben hier als arts over een chirurgische afdeling aangesteld en heb nu heel weinig te doen in verhouding tot de laatste tijd in Allerheiligen. De bedoeling is echter dat we ons voorbereiden op een nieuw groot ziekenhuis dat nu ingericht wordt en in Januari-Februari geopend wordt. Het belooft zeer mooi te worden. Ik kom daar dan weer in de Chirurgische Polikliniek en Unfallstation en krijg ook weer een chirurgische afdeling. Ik krijg daar ook een keurige kamer om te studeren.
Met Dr. Hoberg richt ik ook binnenkort al hier in het hulpziekenhuis een Poliklinkiek in om het nieuw personeel hiervoor wat in te werken. Prof. Riezner is een buitengewoon knappe vent, erg vriendelijk en amicaal benut iedere minuut om uitvoerig te vertellen van zijn ervaringen.
Woensdags en Zaterdags opereer ik buitendien nog op de neurochirurgische afdeling.
Prof. Dr Riesner, de nieuwe chirurg in onze kliniek, kwam uit Agram, Kroatië. Dit kleine gebiedje aan de Adriatische zee had geen tegenstand geboden aan Hitler, waardoor Dr Riesner vele vrijheden genoot. (Na de oorlog heeft dat natuurlijk ook gevolgen gehad, maar in de hele Slavische jungle was dat van weinig betekenis.)
Deze Dr Riesner introduceerde de behandeling van maagulcus met doorsnijding van de nervi bilaterales naar de maag, en dat hielp waarachtig!
Er kwam ook een keer een prof. Kanauka uit Litauen, blijkbaar ook zo’n situatie als in Kroatië. In ieder geval heb ik daar veel van geleerd en geprofiteerd.
Toen ik Dr Riesner vertelde dat wij, medisch studenten, daar zaten omdat wij de (eerste) loyaliteitsverklaring hadden geweigerd te ondertekenen, sprak hij, met een grote zwaai van zijn zware arm: “Ach was, immer nur unterschreiben, alles unterschreiben.”
Goldfasanen
Op een dag werd ik tijdens het eten verzocht om “even mee te komen”. Er bleken twee figuren met gleufhoeden en lange regenjassen in het kantoor van de directeur te zijn die er beleefd prijs op stelden dat ik, evenals enkele anderen, even mee ging naar het bureau van de Gestapo om enkele vragen te beantwoorden. We werden even beleefd verzocht in een auto te stappen en gebracht naar het hoofdkantoor van de politie in Breslau voor ontvangst door de Gauleiter en hoofd van het Ras und Siedlungswesen Gau Breslau.
Binnen de kortste keren bevond ik mij echter in een cel. Wij waren van onze kleren en bezittingen beroofd, en ons was zonder complimenten verteld dat wij naar het KonzentrationsZentrum overgebracht zouden worden, als bestraffing voor onze ‘bolsjewistische’ houding. Toen de ijzeren celdeur achter mij dichtsloeg kreeg ik een claustrofobie-aanval: een afschuwelijk gecombineerd lichamelijk-geestelijk gevoel alsof ik met een ijzeren hand aan mijn hoofd gegrepen werd waardoor ik plotseling van binnen louter uit beton bestond.
Na verloop van tijd werd het een meer “gewone” gevangeniscel; ik probeerde mijzelf ervan te overtuigen dat het niet zo erg was als een heleboel andere nare dingen. Ik zat met twee Duitsers in een cel; deze mensen waren om een of andere politieke reden verhaftet en waren bang dat zij in een concentratiekamp zouden terecht komen. Toen vertelde ik hoe ik mij in het ziekenhuis had gedragen: ik had daar op mijn manier propaganda gemaakt onder het personeel dat mij al herhaaldelijk had gewaarschuwd dat het eens mis zou gaan.
Omdat ik mij probeerde te kalmeren, voelde ik mij zelfs onveilig wanneer de deur even open ging voor het “Kübel raus Kleider raus!” dat iedere avond plaats vond.

Hoe lang ik daar toen nog gezeten heb, weet ik niet. Maar veel later, geheel onverwachts, werd ik samen met drie of vier andere jongens die ik sinds de gevangenneming niet meer gezien had, onder strenge bewaking in een politiewagen gestopt en meegenomen. Tot onze verbazing werden wij niet in een trein of KZ afgeladen maar in het hoofdbureau van politie Breslau. Zoals men ons duidelijk wilde maken, om een toespraak aan te horen van de Reichsführer für Rass und Siedlungswesen Gau Breslau.
Wij werden met zijn vijven naar een indrukwekkend en luxueus ingericht gebouw gebracht, langs een paar brede, zware trappen met zichtbaar kostbare bekleding en hekwerk, en werden daar, aan het eind van een lange gang dicht bij het trappenhuis, naast elkaar opgesteld bij twee soldaten met geweer, om recht, roerloos en stil staande af te wachten wat ons zou worden bevolen. Intussen liepen er met snelle pas gewichtig uitziende personen met acten heen en weer, in prachtige uniformen in groen en goud, zgn Goldfasanen zoals de Duitsers ze zelf in het geheim spottend achter een hand noemden.
Na een half uur was het alsof er een siddering door het hele gebouw ging. De gewichtige persoen schreeuwden; de lagere fluisterden. Plotseling stond iedereen stil en zweeg. Ik stond op enige meters afstand van een brede trap waarlangs met korte blafgeluiden een in gala uitgedost hohes Tier naar boven kwam: de opper-Goldfasan, de hogere Sturmbannführer. Deze had enkele adjudanten schuin achter zich en een dienaar een eind voor zich. Deze dienaar opende, op een meter of tien van mij vandaan, een deur, waardoor de Goldfasan verdween.
Vervolgens werden wij een kamertje vlakbij de plek waar wij stonden naar binnen gestuurd, waar wij weer moesten wachten, zonder boeien en zo netjes mogelijk gekleed. Een van ons werd kort daarna een andere deur binnengelaten. Daarop hoorden wij uit de andere kamer een minutenlang blaffend Duits gebrul met veel “ei”‘s en “au”s. Daarna kwam de jongen weer naar buiten, beduusd, nog bleker dan eerst. Ditzelfde herhaalde zich tot in detail met de andere jongens. Ik had vage vemoedens dat dit de doodstraf betekende.
Toen kwam ik aan de beurt. Ik kwam in een ongeveer twintig meter lange kamer en bevond mij aan het begin van een lange loper die diagonaal door de kamer leidde naar een groot bureau, waarachter de Goldfasan. De Goldfasan ging recht staan en begon een ontzettend gebrul, ongeveer tien minuten lang, over de redding van Europa tegen het Bolsjewismus, en stomme Hollandse studenten die daar niets van begrepen en weigerden mee te werken, en dat mijn houding dusdanig was dat ik niets anders verdiende dan… (wat, dat zei hij niet.)
Uiteindelijk ging hij weer zitten, maar nam na enige diepe ademhalingen weer staande het woord. Zwaaiend met een document in de hand beduidde hij op dreigende toon, dat hij zich genoodzaakt achtte, zeer tegen zijn zin, ons niet naar het KZ te droppen en vrij moest laten. Hij maakte nog wel duidelijk dat als wij weer in zijn handen zouden vallen, hij vlotter zou handelen om ons te geven wat ons toekwam. Hij besloot door tot een adjudant naast hem, die hij het document gaf, met krachtige stem te zeggen: “Entlassen!”
Wij werden meegenomen naar de gevangenis, waar wij onze kleren en spullen die we in onze zakken hadden gehad weer terugkregen, en kwamen tenslotte op de vrije straat terecht. Wij omhelsden elkaar in het zonlicht, dat wij zo lang ontbeerd hadden! Toen huppelden wij naar ons voormalig onderkomen in het ziekenhuis, waar men zijn ogen niet geloofde.
uit brief, 1 Maart 1944
U hebt gehoord van het arbeidscontract met de clausule, die we niet ondertekend hebben. Op den 12en Januari zijn wij gearresteerd, de 13en Januari verhoord door de Gestapo. Men heeft ons verklaard waarom wij gearresteerd waren en uiteengezet, dat de consequentie van de clausule niet was, dat wij Nationaal Socialist werden, maar alleen, dat wij ons verplichtten om als gast in een vreemd land de aldaar heerschende wetten te eerbiedigen en ons fatsoenlijk te gedragen. Daarop verklaarden wij geen bezwaar te hebben tegen het onderteekenen. Wij zijn toen vastgehouden in de gevangenis tot 28 Februari, op welken dag wij voor den leider der Gestapo gebracht werden, die ons nog het een en ander uiteenzette over onze positie in politiek opzicht en ons daarna uit de hechtenis ontsloeg.
Door dit alles was ik niet in de gelegenheid U te schrijven of te laten schrijven, temeer daar niemand wist wat er met ons zou gebeuren voor 28 Februari. Het was ons wel erg pijnlijk te weten, dat onze ouders in groote ongerustheid verkeerden zonder dat wij er iets aan konden doen.
uit brief, 3 Maart 1944
Binnen zeer korten tijd zal het nieuwe ziekenhuis gedeeltelijk klaar zijn, zoodat wij daar dan in zullen kunnen trekken.
Ik zal hier bij gelegenheid afbeeldingen van Breslau koopen en die dan naar huis sturen. Ik sluit hier ook een foto in, die ik heb laten maken 2 dagen nadat ik uitgekuurd was (1 Maart) dan kunt u zien, dat ik nog in goede conditie ben.
uit brief, 25 Maart 1944
Het doet me plezier dat U zo goed op de hoogte bent gebracht van onze invrijheidstelling. Ik vind het ook leuk dat die verschillende ouders die elkaar voordien nooit gekend hadden zo plotseling bij elkaar kind in huis geworden zijn. Dat had ik trouwens in de gevangenis tijdens het zakjes plakken al precies zo geschilderd. Ik moet er nog eens de nadruk op leggen dat mijn verblijf in dat kuuroord in geen enkel opzicht nadelig voor mij is geweest, maar alleen voordelig.
We zijn op het ogenblik aan het verhuizen van de “Klodnitzschule” naar de “Liegnitzschule”; onze nieuwe chirurgische kliniek, die heel mooi belooft te worden. Ik krijg daar ook weer een Unfallstation, zoals vroeger.
uit brief, 7 April 1944
Ik ben nu in de “Liegnitzschule” waarvan ik U al eens verteld heb. Officieel heet het: “Zweite Städtische Chirurgische Klinik” Liegnitzerstrasse 23. Ik heb hier nu ook een fatsoenlijke kamer, samen met de eenige andere Hollandsche collega hier. Het is hier een mooi ruim gebouw met goed ingerichte operatiezalen, ziekenzalen, behandelingskamers, Röntgen afdeeling enz.
De chef is Prof. Riessner, de Kroaat waarvan ik U reeds schreef. Hij is een van de beste chirurgen van Europa, en er valt veel van hem te leeren, daarbij is hij in den omgang zeer sympathiek en van gezonde opvattingen. Hij heeft er veel toe bijgedragen om mijn positie hier te verbeteren. Dan is er de Oberarzt Hoberg en ten slotte een Duitsche vrouwelijke arts, de Hollander Dick Zandee en ik. De eerste heeft de vrouwenafdeeling, Dick de mannenafdeeling en ik de Polikliniek en Unfallstation en een afdeeling voor zeer zware ongevallen en zeer zware geopereerde gevallen, die slecht transporteerbaar zijn naar de eerste verdieping waar de mannen- en vrouwenafdeeling zijn. De operatiezalen Rö. afdeeling en Polikliniek, Unfallstation benevens de genoemde afdeeling voor zeer zware gevallen zijn parterre. Wij zijn alle drie leider van ons eigen station, zoowel wat de medische als de huishoudelijke aangelegenheden betreft.
Op het oogenblik is er weinig te doen omdat het nog niet zoo bekend is. Iedere derde dag heb ik opnamedienst van ’s middags 2 uur tot den anderen dag ’s middags 2 uur. ’s Morgens heb ik polikliniek spreekuur van 8-9 voor nieuwe gevallen en na 9 uur voor nabehandeling op een afgesproken uur in den morgen. Ik kom dan meestal tegen 9 uur, maak mijn opwachting bij den professor en den Oberarzt en begin dan met het spreekuur, terwijl de mindere gevallen van 8-9 uur zich dan opgezameld hebben.
Ik heb nu een nieuw vastgesteld salaris ontvangen. Met terugwerkende kracht krijg ik van af 1 October 1943 RM 260 per maand. Daar gaat natuurlijk een heeleboel van af voor kost, inwoning, verzekeringen, belasting, WH enz. Ook die zeven weken in het Kurort gaan er natuurlijk van af. Hoeveel er precies overblijft kan ik op het oogenblik nog niet uitrekenen. Ik weet alleen maar dat ik RM 457.19 gekregen heb; dat is van af 15 Nov + van 1 Oct – 15 Nov, het verschil tusschen mijn vorige en mijn huidige salaris.
uit brief, 3 Mei 1944
Ik heb het hier heel erg druk. Soms slaap ik ’s nachts 3 UUR, soms helemaal niet. Soms kom ik pas ’s middags om 6 uur aan mijn ontbijt toe. Ik heb ’s morgens een drukke polikliniek die meestal pas om 2 uur klaar is. De ongevallen zijn iederen dag tot 2 uur ’s middags voor mijn rekening. Ieder vierde dag heb ik alle ongevallen van 2 uur ’s middags tot den volgenden dag 2 uur ’s middags. Verder doe ik alle septische operaties en assisteer ik iederen vierden dag de dringende operaties. Dan heb ik nog een zaal met 20 patienten en doe ik alle gecompliceerde fracturen.
uit briefkaart, 6 Mei 1944
Het is hier nog steeds even druk. Het gaat mij heel goed. Het eten is ook goed.
uit briefkaart, 16 Juni 1944
Ik bevestig dan nogmaals dat het mij hier heel goed gaat. Het eten is ruim voldoende. Ik heb een nette kamer samen met mijn collega Zandee. Hier wordt alles iederen dag netjes schoon gemaakt, mijn kleeren opgevouwen, bed opgemaakt enz. Ik heb nog steeds mooi werk. Mijn polikliniek breidt zich nog steeds uit. Ik heb iederen ochtend ± 60 patienten, die ook tevreden schijnen te zijn.
uit brief, 25 Juni 1944
Ik heb nu een controlekaart voor briefverkeer met Holland. Dit is mijn tweede brief van deze maand. De volgende komt dan in Juli. Briefkaarten kan ik dan nog daar tusschendoor schrijven.
Mijn collega Zandee heeft een brief terug gekregen omdat er twee velletjes in waren. Ik houd mij dus maar aan één velletje. Hij is overigens ziek geweest en gaat nu waarschijnlijk met ziekteverlof naar Holland. Dan komt hij U ook opzoeken en kan U natuurlijk alles in geuren en kleuren vertellen. Wat mij zelf betreft is alles nog hetzelfde: ik maak het goed, heb goed te eten, eet goed en heb veel werk.
uit briefkaart, 28 Juni 1944
In de Polikliniek waar ik begonnen ben met één zuster, heb ik nu 5 zusters en 3 BDM meisjes. Alles loopt nu vlot van stapel, zoodat ik telkens wanneer ik in de polikliniek een keer door geweest ben, op station verder kan gaan.
uit briefkaart, Juli 1944
Zooals gezegd maak ik het heel goed. Ik heb met mijn collega een keurige ruime kamer met voldoende bergruimte, spiegelkast, waschtafel enz. Iederen dag wordt hier schoongemaakt, bed opgemaakt, kleeren opgebouwen, eten gebracht.
uit briefkaart, 29 Juli 1944
Het gaat mij zeer goed zooals altijd. Ik heb erg veel werk, maar ook goed te eten en veel medewerking en waardeering.
De Polikliniek heb ik nu verlaten, daar wij hier ieder kwartaal van station verwisselen. Ik heb nu een aseptisch en een septisch station d.w.z. het halve ziekenhuis: ± 90 bedden. Door omstandigheden heb ik zelfs een paar dagen het heele ziekehuis gedaan. Doordat ik nu ’s morgens de polikliniek niet meer heb, kan ik ook veel meer opereeren. Mijn snelste blindedarm heb ik tot nu toe in 15 minuten gedaan. Een dubbele liesbreuk in 35 minuten.
uit brief, 2 Nov. 1944
Es geht mir hier sehr gut. Mit dem Chef verstehe ich mich immer besser. Wie er sagt hat er von allen Assistenten auf mich das größte Vertrauen und aus seinen Aufträgen geht das auch hervor. Mit Freude habe ich gelesen daß Sie sich auch noch gut durchschlagen. In diesen Brief will ich Ihnen auch noch eine wichtige Mitteilung tun, die, wenn Sie über Ihre erste Überrasschung hinweg sind, sicher eine erfreuliche ist.
Seit Dezember des vorigen Jahres kenne ich eine Deutsche Operationsschwester Ilse Macha. Am 21. März haben wir uns verlobt und vor kurzem haben wir uns entschlossen zu heiraten. In diesen Brief komme ich Ihnen fragen, Ihr Einverständniß hiermit zu erklären. Ilse Macha ist 21 Jahre alt. Sie ist gut Katholisch, gebildelt und von guter Familie, allgemein gebildet, froh, arbeitsam und gefügig von Karakter. Sie ist ein Kopf kleiner als ich, gut ernährt, aber nicht dicker als normal und vollkommen gesund. Sie hat keine Auffassungen die Ihnen unsympathisch sein können. Sie ist lieb und hübsch. Leider kann ich keine Bilder hinüberschicken.
Es ist uns allmählig vollkommen klar geworden daß wir uns gegenseitig dermaßen und in der Weise lieben, daß wir was dem betrifft, heiraten können. Ich verdiene augenblicklich RM 155.- pro Monat netto; Kost und Wohnung frei. Außerdem verdiene ich viel nebenbei mit Ärztebriefen, vertretung der Schrechstunde vom Chef, ärztlicher untersuchung u.s.w.: bis jetzt schätzungsweise RM 500.-. Ilse verdient RM 95.- und kommt jetzt in eine höhere Lohnstufe. Ich werde nach einer Eheschließung auch mehr verdienen.
Wir können eine chique Wohnung bekommen, komplett mit Möbilär (4 Zimmer, Küche, Bad und Telefon) in der ein Professor gewohnt hat. Die Nachbaren sind sehr gute Bekannte von uns die wir bereits oft besuchen und die uns auch an diese Wohnung geholfen haben.
Weil es nicht undenkbar ist, daß innerhalb absehbaren Zeit kein schriftlichen Kontakt möglich ist mit Ihnen und nicht voran zu sehen ist wie lange ein solcher Zustand dauern würde, haben wir gemeint keine Zeit mehr verlieren zu dürfen. Von gesetzlicher Seite bestehen hier keine Bedenken gegen die Ehe. Ich brauche aber aus Holland folgende Unterlagen:
1. Geburtsurkunde (mit Übersetzung: darzu aber keine Zeit verlieren: kann auch hier hergestellt werden) 2. Heiratsurkunde meiner Eltern: wenn möglich Geburtsurkunde der Eltern (auch mit Übersetzung) 3. Beweis der Arische Abstammung: bis zu Großeltern. 4. Für die kirchliche Eheschließung (soweit mir bekannt: ich habe mich nicht extra erkundigt; aber das wissen Sie schon; es ist bei uns genau so:) Taufbeweis. –
Um Sie gänzlich zu beruhigen, kann ich Ihnen noch versicheren daß wir uns immer als gute Katholiken benommen haben und daß ich den Kopf kühl habe und weiß was ich tue und zu tun habe.
Ich hoffe daß ich recht bald von Ihnen Ihr Einverständniß empfangen darf. Vielleicht ist es sogar möglich die zwei Ringen zu schicken? Auf alle Fälle herzlich gegrüßt und Ihnen alles Gute.